Wat als? – Roman in wording

Roman in wording

We beloofden elkaar trouw te blijven in goede en kwade dagen, in armoede en rijkdom, in ziekte en gezondheid. We beloofden elkaar lief te hebben en te waarderen, al de dagen van ons leven. Ik keek hem in zijn blauwe ogen, ze glimlachten. Hij hield zijn warme hand in de mijne, ik gloeide. Hij drukte zijn zachte lippen op mijn mond, ik stond wiebelend op mijn tenen en groeide. Het sprookje kon beginnen.

Wat begon als de wens om mijn oma’s levensverhaal te vertellen, ontaardde in een zoektocht naar het verhaal van mijn opa. Omdat zij beiden niet meer leven (mijn opa heb ik nooit gekend) en de herinneringen aan hen gekleurd en onvolledig zijn, heb ik besloten om dat wat ik wel te weten ben gekomen te verwerken in een fictieve vorm. Het verhaal wordt gedragen door de fictieve personages Pippa en Jaap. Verteld vanuit wisselend perspectief.

Priegelende vingertjes probeerden mijn ogen te openen. Ik moest in slaap zijn gevallen. Stil bleef ik luisteren naar de hoge ademhaling van Gert. Ik voelde de warmte van zijn dichterbij komende gezichtje. God wat hield ik van dit ventje. Onverwacht hapte ik naar zijn handje. Een gilletje en luid gegiechel als resultaat. Ik hees hem omhoog en zette hem op mijn buik.
‘Hortsjik,’ hij richtte zijn lijfje omhoog en liet zich met een harde plof weer vallen.
‘Ow,’ kreunde ik, waarna we beiden in lachen uitbarstten. Daarna verloor hij mijn aandacht en rende door de kamer op zoek naar zijn blokkendoos.
‘Jaap?’ hoe lang Pippa al in de kamer stond, wist ik niet, ‘het slot van Jopies keukendeur is stuk. Ik heb gezegd dat jij haar wel even kan komen helpen.’
Iets te snel stond ik op. Het werd zwart voor mijn ogen en ik moest me vasthouden aan de leuning van een stoel om niet om te vallen.
‘Dat is wel goed, toch?’ Pippa keek bezorgd.
‘Wanneer?’
‘Als je nu gaat, ben je voor het eten terug.’
Een blik op de klok vertelde me dat het bijna half vijf was. Ik keek naar Gert. Zijn toren bestond uit louter gele blokjes. Ik pakte mijn jas en vertrok.

Begin jaren 30 komen de wegen van twee jonge mensen, elk met beladen jeugdervaringen, bij elkaar. Het wordt een trekken en afstoten, niet met en niet zonder elkaar kunnen leven. Beiden niet in staat dat te doen waar ze allebei zo naar verlangen; gehecht zijn. De grote vraag die zij zichzelf en elkaar regelmatig stellen is: Wat als? (tevens werktitel)

‘Wacht,’ riep Jopie. Ze snelde op haar hakken de stenen trap af. Ik wachtte. De jongens leunden moe en voldaan tegen mijn heupen.
‘Hier, Jaap is zijn jas vergeten.’ Aan haar gezicht was niets af te lezen.
Waarom zou je je jas uittrekken als je een taart kwam bezorgen? Ik probeerde het antwoord op die gedachte te negeren.
‘Pippa,’ ging ze verder, ‘hij is je niet waard.’ Ze kuste me op mijn wang, gaf de kinderen een laatste knuffel en rende daarna even sierlijk
als altijd omhoog. Haar voordeur sloot met een haperende klik.

De levensverhalen van mijn grootouders hebben mij geïnspireerd om een roman te schrijven over jeugdtrauma’s, verlies, (ont)hechting, erkenning, perspectief, verraad en geheimen. Maar ook over de liefde en overleven. Dit alles tegen het licht van voornamelijk de eerste helft van de 20e eeuw (1912 – 1962), welke gevuld was met armoede en oorlogen en waar nog geen oog was voor de levenslange, negatieve gevolgen van een ontwrichte jeugd.

Pippa (Wenen, 1913 – Den Haag 1999)
Jaap (Den Haag, 1912 – Den Haag 1962)